Laatst bijgewerkte versie (29/06/2017 – Patrick Soentjens)

RABIES

Kaart rabiësverspreiding WHO® disease distribution maps

Rabiës of hondsdolheid is een ernstige acute ontsteking van de hersenen door het rabiësvirus. Rabiës kan bij dieren aanleiding geven tot een ‘furieuze’ vorm, waarbij de razernij op de voorgrond staat, maar kan ook aanleiding geven tot een ‘paralytische’ vorm, waarbij het aangetaste dier er slap, verlamd en meelijwekkend uitziet. Het strelen van makke dieren in het wild (o.a. apen in tempels, vossen) is daarom absoluut af te raden. In de ontwikkelingslanden wordt de ziekte bij de mens meestal door (zwerf)honden overgebracht, maar ook door katten, apen en vleermuizen. Overdracht via vele andere warmbloedige diersoorten is echter ook mogelijk. Rabiës is een groot probleem in heel wat ontwikkelingslanden. Eens er ziektesymptomen zijn, is er 100% zeker dodelijke afloop. Er bestaat geen behandeling.

Vermijd op reis om (tamme) wilde dieren, straatdieren en andere niet vertrouwde huisdieren te strelen. Ook dode dieren mag men niet aanraken. Kinderen moeten extra in het oog worden gehouden.
Het is belangrijk dat iedere reiziger wordt gewezen op het reële risico en dat hij weet wat hij moet doen in het geval van een dierenbeet. Bij de gewone reiziger is het risico echter klein en is  preventieve vaccinatie niet aanbevolen.

Vaccinatie

Het huidige vaccin (op humane cellen of celcultuur (o.a. verocellen) bereid) is veilig en heeft de gevaarlijke nevenwerkingen van vroegere vaccins (bereid op hersenen van schapen of geiten) niet meer. Het wordt gebruikt zowel voor preventieve vaccinatie als voor vaccinatie na blootstelling (post-exposure-profylaxie of PEP). Preventieve vaccinatie geeft een gedeeltijke bescherming, namelijk het immuunsysteem wordt hierdoor ‘geprimed’ en is daardoor ‘boostable’, maar na iedere beet moet men opnieuw gevaccineerd worden. Het aantal vaccins is in dat geval minder dan wanneer men niet op voorhand gevaccineerd is en rabiës-specifieke immunoglobulinen (RIG) zijn dan niet nodig. Het vaccin wordt in de bovenarmspier ingespoten.

Preventieve  vaccinatie (pre exposure profylaxie - PreP)

Schema: 3 inentingen op dag 0, 7, 21 of 28.
Eens men in het kader van reizigersgeneeskunde een volledige basisvaccinatie gekregen heeft, zijn verdere rappelinentingen voor toeristen en expats niet nodig. Een controle van de antistoffenaanmaak is enkel nodig bij personen met verminderde afweer of onder behandeling met immuundeprimerende medicatie, en kan worden uitgevoerd door het referentielaboratorium van het WIV/ISP (vanaf 10 dagen na de 3de injectie, best na 4-6 weken).

Voor personen die in het kader van hun beroep (bv. veearts, vleermuisonderzoeker) een verhoogd blootstellingsrisico hebben, gelden wel andere richtlijnen in het kader van de arbeidsgeneeskundige regelgeving.

Het vaccin tegen rabiës kan met een voorschrift van elke arts vlot bekomen worden bij de apotheker (Rabipur (Novartis Pharma) & HDCV Merieux Rabiës Vaccin (Sanofi Pasteur MSD) zijn leverbaar aan  officina’s via de groothandel).

Wat te doen na een beet

In geval van een beet op reis door een mogelijk besmet dier moet men meteen de wonde uitwassen met water en zeep (omdat het virus zeer gevoelig is voor detergenten) gedurende 15 minuten en vervolgens grondig ontsmetten met Iodium/Isobetadine of met ethanol 60-80 %. Men dient zo snel mogelijk een arts ter plaatse te raadplegen om verdere verzorging en om vaccinatie te overwegen.

Vervolgens zal men beslissen of  vaccineren tegen rabiës (PEP) nodig is, al dan niet in combinatie met specifieke antirabiës-immunoglobulinen (RIG).
De beslissing om wel of niet te vaccineren hangt af van:

  • Het land waarin men zich bevindt wanneer men werd gebeten (of het land waar het dier vandaan komt als het over importdieren gaat)
  • Welk dier (een vleermuis wordt altijd als hoog risico beschouwd)
  • Het type wonde
  • De voorgeschiedenis van de patiënt

In een eerste stap is het belangrijk om de wonde uit te wassen met zeep en water en vervolgens de ontsmetten met een oplossing van joodpovidon. Nadien dient de patiënt aan de juiste risicocategorie worden toegewezen, zodat de noodzaak voor rabiës-PEP met of zonder immuunglobulines kan worden bepaald.

Deze procedure staat uitgebreid beschreven in een handleiding die men kan terugvinden op deze website.

Gelet op de hoge mortaliteitsgraad die met rabiës gepaard gaat, is het aangeraden om bij elk vermoeden met betrekking tot de indicatiestelling en de behandeling en de verdere follow-up het advies in te winnen bij experten van het ITG.

  • Dit advies kan best telefonisch gebeuren (tijdens de werkuren) op het nummer 03 247 66 66 of 03 247 64  05 of via medsec@itg.be.
  • Na de werkuren en tijdens het weekend dient men de spoedgevallendienst van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) te contacteren (waar artsen van ITG en UZA de wachtdienst Infectieziekten verzekeren) op 03 821 30 00.

Post exposure profylaxie (PEP) bij een voorheen ongevaccineerd persoon (geen PrEP)

  • Schema met 4 vaccins op dag 0 (2x), dag 7 en dag 21 met een controle van de antistoffentiter 10 dagen na het beëindigen van het schema (dus vanaf dag 31).
  • Schema met 5 vaccins op dag 0,3,7,14 en 28 met een controle van de antistoffentiter 10 dagen na het beëindigen van het schema (dus vanaf dag 38). Indien er voldoende stijging is, is een bijkomende vaccinatie niet nodig.

Het schema met vijf vaccinaties wordt gecombineerd met specifieke antirabiës-immunoglobulinen (MARIG) 20 UI/kg, ‘antiserum’, in en rondom de wonde. Er bestaan dosissen van 2 ml (300 UI) en van 5 ml (750 UI). Het toedienen van deze specifieke immunoglobulinen heeft geen zin meer vanaf de achtste dag na het starten van de vaccinatie.

Post exposure profylaxie (PEP) bij een vooraf gevaccineerd persoon (PrEP)

  • 2 vaccins op dag 0 en dag 3, telkens 1 dosis, geen MARIG

Niettegenstaande met klem aangeraden wordt om zo snel mogelijk en liefst binnen de 24 uur met vaccinatie te starten na een verdachte blootstelling, kan men zelfs na een reis nog starten met inenten (vaccinatie én/of immunoglobulinen) omdat de incubatietijd meestal vrij lang is. 

De aanvraag voor de volledige terugbetaling van de immunoglobulinen en het toedienen ervan kunnen enkel gebeuren door een arts verbonden aan het ITG. De toediening van PEP-rabiësvaccin zonder immunoglobulinen kan uitgevoerd worden door elke reiskliniek of door de behandelende arts. De terugbetaling van dit rabiësvaccin blijft ongewijzigd.

De werking van het Nationaal Referentiecentrum van het WIV voor de analyse van stalen van mens (vnl. bloed en of cerebrospinaal vocht) of dier (bloed en hersenen) met betrekking tot rabiës verandert niet.

Het probleem in ontwikkelingslanden ligt grotendeels in het feit dat men er soms enkel over minderwaardige vaccins (bereid op dierlijke hersenen) beschikt, en dat de juiste immunoglobulinen er niet voorradig zijn.

In geval van een verdachte beet kan men ook beslissen om onmiddellijk huiswaarts te keren, of kan men via de reisverzekering het juiste vaccin en immunoglobulinen proberen te bekomen.

Volgende personen moeten overwegen om zich op voorhand te laten vaccineren tegen rabiës:

  • De klassieke risicogroepen, zoals dierenartsen, jagers, boswachters, veehandelaars, landbouwdeskundigen enz., maar ook archeologen en speleologen, vleermuiswerkers of vleermuishobbyisten.
  • Reizigers die een langdurige fietstocht ondernemen of veelvuldig joggen vormen risicogroepen die best steeds gevaccineerd worden.
  • Personen die langere tijd in afgelegen landelijke ontwikkelingsgebieden zullen rondreizen of gaan wonen, en niet binnen de 24 uur over een (op celcultuur bereid) vaccin en binnen de 48 uur (of uiterlijk tot 7 dagen) over specifieke antirabiës-immunoglobulinen (RIG), ‘antiserum’ kunnen beschikken.
  • Ouders van kinderen die gaan wonen in een risicogebied, dienen – in functie van de lokale omstandigheden – ernstig te overwegen om hun kinderen preventief te laten vaccineren. Huisdieren daar moeten ten allen tijde gevaccineerd zijn.

N.B. Alle illegale import van dieren en het niet respecteren van de officiële vaccinatierichtlijnen in dit verband, brengt een risico met zich mee voor het importeren van hondsdolheid bij zoogdieren.