“Infectieziekten kun je niet bestuderen vanuit slechts één discipline”
Van mensen en pathogenen die zich verplaatsen tot klimaatverandering, antimicrobiële resistentie, verstedelijking en veranderingen in de gezondheidsfinanciering: het 66e ITG-colloquium, de tweejaarlijkse wetenschappelijke conferentie van het ITG, werpt een brede blik op een wereldwijd gezondheidslandschap dat snel verandert. Onder het thema Health in Motion: Infectious Diseases on the Move komen onderzoekers, beleidsmakers en professionals op het gebied van wereldwijde gezondheidszorg samen in Addis Abeba, Ethiopië. Ze onderzoeken hoe die veranderingen het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten beïnvloeden, en hoe gezondheidssystemen zich aanpassen en erop reageren.
Voor prof. dr. Johan van Griensven en dr. Endalamaw Gadisa, die als vertegenwoordigers van het ITG en AHRI het wetenschappelijk comité voorzitten, is het colloquium meer dan een conferentie. Het is een gelegenheid om uiteenlopende perspectieven samen te brengen.
Waarom is mobiliteit momenteel zo’n belangrijk thema voor infectieziekten?
JOHAN: Mobiliteit is altijd belangrijk geweest voor infectieziekten. Maar de wereld verandert momenteel zeer snel, waardoor het thema bijzonder relevant is. We zien grote veranderingen in het financieringslandschap, naast klimaatverandering en toenemende menselijke mobiliteit. Mobiliteit is bovendien een breed begrip. Het gaat niet alleen om mensen die zich verplaatsen: ook pathogenen en vectoren verplaatsen zich, en ecosystemen veranderen. Al die elementen staan met elkaar in wisselwerking.
ENDALAMAW: Globalisering en menselijke verplaatsingen kunnen de verspreiding van pathogenen versnellen, terwijl klimaatverandering hun natuurlijke leefomgeving en de verspreiding van vectoren kan veranderen. Ook pathogenen zelf veranderen, onder meer wat betreft hun genetische eigenschappen en gevoeligheid voor geneesmiddelen. Antimicrobiële resistentie is daar een duidelijk voorbeeld van.
Maar ook het gezondheidssysteem en het beleid eromheen beïnvloeden die dynamiek. De manier waarop geneesmiddelen worden gebruikt, hoe mensen toegang krijgen tot een behandeling en die behandeling volgen, en hoe gezondheidssystemen reageren, kan allemaal bijdragen aan veranderingen in pathogenen en de verspreiding van resistentie.
De vraag is daarom niet alleen hoe pathogenen zich verplaatsen, maar ook hoe gezondheidssystemen zich aan dit veranderende landschap kunnen aanpassen. Kunnen we beleid ontwikkelen dat snel en adequaat inspeelt op veranderingen? Kunnen we nieuwe technologieën zoals AI gebruiken om die veranderingen beter op te volgen? En hoe kunnen landen in het Globale Zuiden, tegen de achtergrond van een veranderend wereldwijd financieringslandschap, de veerkracht en soevereiniteit van hun gezondheidssystemen versterken?
Het conferentieprogramma omvat een brede waaier aan onderwerpen. Wat kunnen de deelnemers verwachten?
ENDALAMAW: Het programma is opgebouwd rond zes sessies. Eén daarvan gaat over opkomende infecties en het verband met veranderingen in het klimaat en het milieu. Een andere sessie richt zich op de biologie van infecties: hoe pathogenen zich verspreiden en evolueren, hoe het immuunsysteem reageert en hoe antimicrobiële resistentie ontstaat.
Daarnaast richt het programma zich op stedelijke ongelijkheid in lage- en middeninkomenslanden, de continuïteit van zorg voor mensen die mobiel of ontheemd zijn of in fragiele omstandigheden leven, en de uitdagingen om gezondheidssystemen te financieren in een veranderend wereldwijd financieringslandschap. Tot slot gaat een sessie over surveillance van mobiele bevolkingsgroepen en over de inzet van digitale technologie, data en AI, met aandacht voor de ethische en politieke vragen die daarbij rijzen.
JOHAN: Die diversiteit is heel belangrijk. Je kunt infectieziekten niet bestuderen door één discipline afzonderlijk te bekijken. We willen infectieziekten vanuit een alomvattend perspectief benaderen en die verschillende perspectieven samenbrengen.
Zal AI een grote rol spelen tijdens de conferentie?
JOHAN: AI is een belangrijke opkomende technologie die waarschijnlijk invloed zal hebben op alle onderdelen van de samenleving, ook op onderzoek naar infectieziekten. Maar het is nog steeds een nieuwe technologie. Daarom moeten we bespreken hoe we de voordelen ervan optimaal kunnen benutten en tegelijk kritisch kunnen blijven. Welke data zijn beschikbaar? Hoe goed zijn die data? En in welke mate zijn ze relevant in verschillende contexten? Infectieziekten ontstaan in sterk uiteenlopende omstandigheden, en voor sommige contexten zijn veel meer data beschikbaar dan voor andere.
ENDALAMAW: We moeten ook nadenken over een ethisch gebruik van AI en andere digitale gezondheidstoepassingen, en ervoor zorgen dat het Globale Zuiden er in gelijke mate toegang toe heeft. Anders dreigt digitale uitsluiting.
Tegelijkertijd is het potentieel enorm. Die technologie kan ons helpen pathogenen beter te begrijpen en patronen in onderzoeksdata te herkennen die anders moeilijk zichtbaar zijn. In de computationele biologie en het onderzoek naar de evolutie van pathogenen kunnen digitale toepassingen bijvoorbeeld onze kennis aanzienlijk vergroten over de manier waarop pathogenen veranderen en zich verspreiden.
Dat zal vooral relevant zijn tijdens de sessie over surveillance van mobiele bevolkingsgroepen. Hoe zetten we data in om de surveillance te verbeteren en zorgen we er tegelijk voor dat systemen transparant en rechtvaardig blijven en inspelen op de behoeften van de mensen voor wie ze bedoeld zijn?
"Wanneer een onderzoeker in gesprek gaat met clinici, sociale wetenschappers, ecologen of beleidsmakers, kunnen nieuwe ideeën en verbanden ontstaan. Uiteindelijk kunnen die interacties ons gezamenlijke begrip en aanpak van infectieziekten versterken."
Prof. dr. Johan van Griensven
Wetenschappelijk covoorzitter
Waarom is het belangrijk om al die mensen fysiek samen te brengen op een colloquium?
JOHAN: Het colloquium draait om meer dan luisteren naar presentaties. De meerwaarde van mensen fysiek samenbrengen ligt in de uitwisseling die tussen de presentaties plaatsvindt: deskundigen die op elkaar reageren, ideeën bespreken, aannames ter discussie stellen en samen brainstormen.
Wanneer een onderzoeker in gesprek gaat met clinici, sociale wetenschappers, ecologen of beleidsmakers, kunnen nieuwe ideeën en verbanden ontstaan. Uiteindelijk kunnen die interacties ons gezamenlijke begrip en aanpak van infectieziekten versterken.
Het colloquium vindt plaats in Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië. Waarom daar?
ENDALAMAW: Door het colloquium in Addis Abeba te organiseren, brengen we internationale discussies dichter bij een plek waar veel van de uitdagingen zich voordoen. Het biedt ook kansen om allianties op te bouwen en de samenwerking rond infectieziekten in Afrika te versterken.
Voor onderzoekers in Ethiopië en elders in de regio is het een gelegenheid om rechtstreeks in gesprek te gaan met internationale collega’s en beleidsmakers. Deelnemers van buiten de regio kunnen dan weer kennismaken met perspectieven die niet altijd aan bod komen tijdens internationale bijeenkomsten over wereldwijde gezondheid.
Welke rol speelt mobiliteit in jullie eigen onderzoek naar leishmaniasis?
JOHAN: Viscerale leishmaniasis, wereldwijd de op één na dodelijkste parasitaire ziekte, illustreert goed waarom mobiliteit belangrijk is. In Ethiopië trekken mensen bijvoorbeeld naargelang het seizoen van de hooglanden naar de laaglanden om er in de landbouw te werken. Die mobiliteit beïnvloedt hun blootstelling aan de Leishmania-parasiet.
Ook in het zuiden van Ethiopië leven sterk mobiele gemeenschappen. De plaatsen waar mensen naartoe trekken kunnen hun blootstelling beïnvloeden, maar hun mobiliteit maakt het ook moeilijker om continue gezondheidszorg te bieden.
Klimaatverandering voegt daar nog een dimensie aan toe. Historisch gezien kwam cutane leishmaniasis, die de huid aantast, vaker voor in de hooglanden en viscerale leishmaniasis in de laaglanden. Door de klimaatverandering kunnen die patronen elkaar beginnen te overlappen. Dat kan gevolgen hebben voor de epidemiologie van de ziekte.
ENDALAMAW: Mijn recente onderzoek richt zich steeds meer op gemarginaliseerde en moeilijk bereikbare gemeenschappen, waaronder mobiele bevolkingsgroepen. We onderzoeken hoe we de toegang tot en de kwaliteit van de gezondheidszorg voor die gemeenschappen kunnen verbeteren: hoe ze gezondheidsrisico’s begrijpen en erop reageren, hoe ze het gezondheidssysteem ervaren, en hoe aanvaardbaar en toegankelijk dat systeem voor hen is.
"We hebben een paradigmaverschuiving nodig, weg van een uniform gezondheidszorgmodel dat overal wordt toegepast."
Dr. Endalamaw Gadisa
Wetenschappelijk covoorzitter
Waar kijken jullie persoonlijk naar uit?
JOHAN: Ik kijk uit naar de plenaire sprekers en wil bijleren over domeinen waarmee ik minder vertrouwd ben. De sessie over gezondheidsfinanciering is bijvoorbeeld zeer actueel. Ik wil beter begrijpen hoe landen omgaan met het veranderende wereldwijde financieringslandschap. Ook de sessie over surveillance en data biedt mij een kans om bij te leren.
Ik ben ervan overtuigd dat we problemen vanuit een alomvattend perspectief moeten bekijken. Daarvoor is het essentieel om in gesprek te gaan met deskundigen uit andere vakgebieden, en het colloquium biedt daartoe een gelegenheid.
ENDALAMAW: Ik ben vooral geïnteresseerd in de discussie over AI en digitale gezondheid. Mensen verplaatsen zich om in hun levensonderhoud te voorzien, maar ook door crisissen en conflicten. Die gemeenschappen hebben specifieke behoeften en lopen specifieke risico’s. Tegelijkertijd vormen snelle verstedelijking en ongelijkheid op het vlak van gezondheid grote uitdagingen in het Globale Zuiden. Ik ben benieuwd hoe AI en digitale gezondheid kunnen helpen om die uitdagingen aan te pakken.
En wat hopen jullie dat de deelnemers na afloop meenemen?
JOHAN: Ik hoop dat ze twee dingen meenemen. Ten eerste dat mobiliteit geen bijzaak is bij infectieziekten. Ze staat centraal in een ruimer begrip van hoe infectieziekten werken. Ten tweede hoop ik dat ze naar huis gaan met nieuwe contacten en ideeën die zijn ontstaan uit gesprekken met mensen van buiten hun eigen discipline. Zulke interacties kunnen in de toekomst tot iets betekenisvols leiden.
ENDALAMAW: Ik hoop dat deelnemers begrijpen dat het wereldwijde gezondheidslandschap verandert en dat de veerkracht van gezondheidssystemen niet statisch is. We hebben een paradigmaverschuiving nodig, weg van een uniform gezondheidszorgmodel dat overal wordt toegepast.
Het gezondheidslandschap verandert snel en onze aanpak moet mee veranderen. Dat betekent dat we interdisciplinaire wetenschap moeten combineren met flexibel beleid, digitale oplossingen en sterkere gezondheidssystemen. Het colloquium biedt de gelegenheid om die gesprekken op gang te brengen en de contacten te leggen die nodig zijn om woorden in daden om te zetten.
Schrijf je in voor het ITG-colloquium
Schrijf je in
Terugblik op de samenwerking tussen AHRI en het ITG
Hoe is de samenwerking tussen het ITG en AHRI ontstaan?
JOHAN: De twee instellingen begonnen vijf jaar geleden samen te werken in het kader van de vijfde kaderovereenkomst (FA5). Daarbinnen werkt het ITG samen met 24 partners op drie continenten, waaronder AHRI. Die partnerschappen worden gefinancierd via een vijfjarige subsidie van de Belgische Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp (DGD). De samenwerking tussen het ITG en zijn partnerinstellingen is erop gericht onderzoek, onderwijs en beleid op individueel en institutioneel niveau te versterken, op basis van de behoeften en vragen die de partners zelf vaststellen.
ENDALAMAW: FA5 was de eerste belangrijke samenwerking tussen AHRI en het ITG. Ze draaide deels om elkaar leren kennen en een basis leggen voor een langdurige samenwerking. We werkten samen rond viscerale leishmaniasis, antimicrobiële resistentie en geïntegreerde One Health-benaderingen.
ENDALAMAW: Een van de belangrijkste initiatieven was CORAL – Strengthening Capacity for Operational Research on AMR and Leishmaniasis. Het was opgezet als een stapsgewijs leertraject voor jonge Ethiopische onderzoekers. Ze kregen begeleiding bij het volledige proces: van het bepalen van een onderzoeksvraag en het schrijven van een onderzoeksvoorstel tot het voorbereiden van onderzoeksinstrumenten, het verzamelen en analyseren van data, de interpretatie en het schrijven van wetenschappelijke teksten.
Dat is een belangrijke vorm van capaciteitsopbouw, omdat het niet alleen één onderzoeksproject oplevert. Het helpt onderzoekers ook de vaardigheden te ontwikkelen om in de toekomst zelfstandig onderzoek uit te voeren.
We organiseerden ook gezamenlijke opleidingen in bio-informatica. Die vaardigheden zijn belangrijk voor de toekomst van het Ethiopische onderzoekslandschap en kunnen bijdragen aan een sterker en meer interdisciplinair onderzoeksecosysteem.
In de volgende kaderovereenkomst, FA6, legt meer nadruk op het verkleinen van de kloof tussen wetenschap en samenleving. Kan een colloquium daarbij helpen?
JOHAN: Tot op zekere hoogte wel. Door mensen met verschillende achtergronden en verantwoordelijkheden samen te brengen, stimuleer je de communicatie en help je hen elkaars behoeften en perspectieven te begrijpen.
Dat is vooral belangrijk voor jonge wetenschappers. Door met beleidsmakers in gesprek te gaan, kunnen onderzoekers beter begrijpen welke informatie en welk bewijs beleidsmakers werkelijk nodig hebben. Dat kan hen helpen hun onderzoek zo te sturen dat het relevante data oplevert die kunnen bijdragen aan beslissingen.
Ook hier draait het dus om communicatie, interactie en netwerken tussen verschillende niveaus – van fundamenteel onderzoek tot beleid.
Schrijf je nu in voor het 66e ITG-Colloquium!
Grensverleggende inzichten, boeiende gesprekken en inspirerende netwerkopportuniteiten wachten op jou tijdens het 66e ITG-colloquium in Addis Abeba! Schrijf je nu in om deel te nemen.
Spread the word! Deel dit artikel op