Ga naar hoofdinhoud

Het nieuwe coronavirus en andere respiratoire virussen: wat je moet weten

Een diepte-interview met Kevin Ariën (professor virologie) en Pierre Dorny (professor helminthologie).

21-09-20

Afbeelding 1/1 : Professoren Pierre Dorny en Kevin Ariën

We hoorden de voorbije maanden vaak dat virologen ons ”al jaren waarschuwden dat er een pandemie zat aan te komen”. Is dit wat je verwachtte?

Kevin Ariën: Respiratoire virussen zijn grote kanshebbers om uit te groeien tot een pandemie: corona-, influenza- en paramyxovirussen hebben allemaal  het potentieel om zich pandemisch te verspreiden. De voorbije 100 jaar werd de verspreiding van epidemieën vergemakkelijkt door maatschappelijke ver- anderingen. Ten tijde van de Spaanse griepepidemie in 1918, bestond de wereld- bevolking uit zo’n 1,7 miljard mensen, waarvan de meesten op het platteland woonden en zich te voet of met paard en kar verplaatsten. Momenteel zijn we met bijna 8 miljard, hebben we commerciële luchtvaartmaatschappijen, grootschalige verstedelijking en enorme veranderingen in reizen en handel.

In China zijn er 15 steden met meer dan 10 miljoen inwoners. Onze  steden, en de wereld in het algemeen, zijn dichter bevolkt en meer met elkaar verbonden. Ook het leefgebied van dieren verkleint waardoor er toenemende interactie is tussen wilde dieren en de mens. Coronavirussen zijn al meerdere malen over- gegaan van dier op mens. Deze pandemie is dus helemaal geen verrassing voor virologen.

Hoe zit het met griepvirussen?

Griepvirussen zijn eveneens grote kanshebbers om een pandemie te veroorzaken. Sinds 1918 zijn er trouwens al een aantal ernstige griepepidemieën geweest, zoals  de  Mexicaanse  griepepidemie van 2009, de Russische griep in 1977 en de Hongkonggriep in 1968. De H5N1- variant van de vogelgriep is vooralsnog een zichzelf uitdovende infectie bij de mens, omdat ze nog niet makkelijk overgaat van mens-op-mens, maar virussen evolueren voortdurend.

P³-artikel

Logo van het P³-magazine

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de 11de editie van het P³-magazine, dat twee maal per jaar verschijnt.

Alarmerend is echter dat het sterftecijfer van sommige types vogelgriep kan oplopen tot ongeveer 30% bij de mens. Het is dan ook niet toevallig dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) griepvirussen bij dieren en mensen nauwlettend in de gaten houdt. Dit soort virussen worden meestal overgedragen door watervogels, maar er zijn nogal wat gevallen van besmet pluimvee in China en Europa. Om een verdere verspreiding van griepvirussen zoals H5N1 naar en in pluimvee te voorkomen en eventuele overdracht naar de mens in de kiem te smoren, vond er een massale ruiming plaats. Hetzelfde gebeurde in nertsenkwekerijen in Nederland, waar een groot aantal dieren positief testten op COVID-19.

Interessant is dat griepvirussen verschillende receptoren gebruiken om in de luchtwegen van vogels en mensen binnen te dringen. Bij vogels veroorzak- en ze vooral maag- en darminfecties, maar bij mensen presenteren ze zich als respiratoire infecties. De meeste vogelgriepvirussen zijn echter slecht aangepast om onze menselijke luchtwegen te infecteren en zich te verspreiden. Varkens hebben receptoren voor het virus van zowel mensen als vogels en zijn daarom echte 'mengvaten,' waar vogel-, varkens- en menselijke griepstammen genetisch materiaal kunnen uitwisselen en op die manier een heel nieuw virus creëren. Deze virussen kunnen potentieel gevaarlijk worden voor de mens.

Je had het ook over paramyxovirussen. Wat zijn dat?

Paramyxovirussen veroorzaken bekende menselijke ziekten zoals bof en mazelen. Andere paramyxovirussen zoals het hendravirus (HeV) en het nipahvirus (NiV) tastten recent mens en vee aan in Australië en Zuidoost-Azië. Beide virussen zijn besmettelijk, zeer virulent en kunnen dodelijk zijn voor de mens. Nipah wordt overgedragen door vleermuizen, eerst op varkens, die het vervolgens overdragen op de mens. Hendra, eveneens verspreid door vleermuizen, infecteert eerst paarden en tenslotte mensen.

Laten we het eens hebben over vaccins en mogelijke behandelingen, want daar kijkt de wereld reikhalzend naar uit. Waarom duurt de ontwikkeling van een vaccin zo lang?

Laat ons het productieproces van het vaccin tegen seizoensgebonden griep als voorbeeld nemen. Wereldwijd heeft de WHO een 100-tal studiesites, waar men het hele jaar de circulatie van griepstammen, en de genetische samenstelling ervan in de bevolking, in de gaten houdt. Op basis van die informatie bepaalt de WHO vervolgens een vaccinsamenstelling. Bedrijven hebben 6 tot 8 maanden nodig om voldoende vaccins te produceren tegen de tijd dat het griepseizoen hier aanvangt.

Zeer waarschijnlijk blijft het virus in die tussentijd muteren. Op het moment dat het griepseizoen toeslaat, is het virus mogelijk verder geëvolueerd van de voor het vaccin gebruikte stam, waardoor vaccins geen of slechts suboptimale bescherming bieden. Veel bedrijven blijven vertrouwen op technologieën uit de jaren 1950 voor de ontwikkeling van griepvaccins. Men injecteert het griepvirus in embryonale kippeneieren, dat zich vervolgens vermenigvuldigd en waaruit de vaccins- tam gehaald wordt. Je hebt ongeveer één ei nodig voor één dosis vaccin. Je kan je zeker wel voorstellen wat een logistieke onderneming dit is.

Er zijn ook andere, efficiëntere recombinante technologieën, maar de grote vaccinproducenten hebben zwaar geïnvesteerd in het proces op basis van eieren, dat vaccinproductie mogelijk maakt tegen gunstige prijs en winstmarges. Er is dan ook weinig animo om het productieproces te veranderen. Als we evenwel vaccins willen produceren voor de hele wereldbevolking, vereisen onze ontwikkelingsstrategieën en productieprocessen een paradigmaverschuiving.

Het maken van vaccins voor een nieuw opkomende ziekteverwekker, zoals SARS-CoV-2, is nog steeds iets van een hogere categorie. Eerst moet je de basisprincipes van de nieuwe ziekteverwekker bestuderen en begrijpen welke eiwitten/ antigenen sterke en beschermende immuunreacties uitlokken. Vervolgens moet je deze antigenen beschrijven, ze formuleren als een vaccin, de juiste diermodellen ontwikkelen voor pre-klinische evaluatie, fase 1- en 2-klinische studies uitvoeren om de veiligheid van de vaccins te beoordelen en tenslotte dienen grootschalige fase 3-klinische studies uitgevoerd om de werkzaamheid te beoordelen.

Tegelijkertijd moet de productiecapaciteit worden opgeschaald om aan de vraag te voldoen. Dit proces kost tijd, veel tijd. Voor COVID-19 belooft men ons een vaccin binnen 12 tot 18 maanden, maar weet dat dit een ongezien succes zou zijn. En we hebben het nog niet eens gehad over de politieke en maatschappelijke uitdagingen om dit vaccin beschikbaar te maken voor iedereen die het nodig heeft, inclusief de armste bevolkingsgroepen op deze planeet.

Hoe zit het met antivirale middelen? Voor hiv duurde het vele jaren om ze te ontwikkelen.

Vaccins zullen er waarschijnlijk zijn voor- dat een effectieve behandeling wordt ontdekt. We weten dat sommige mensen hydroxychloroquine (HC) toegediend kregen in Belgische ziekenhuizen en dat dit een gunstig effect leek te hebben. Internationaal is er echter veel discussie over het gebruik van HC en grootschalige studies hebben geen enkel nut van HC aangetoond voor de behandeling van COVID-19. HC is geen coronavirus-specifieke behandeling: oorspronkelijk is het een malariamedicijn. Ook Remdesivir, een breedspectrum antiviraal middel, werd getest tijdens de ebola-uitbraak en leek de hersteltijd te verkorten. Het middel lijkt ook actief tegen ernstige gevallen van COVID-19. Hiv-medicatie, die inderdaad vele jaren nam om te ontwikkelen, is een zeer specifiek combinatie-medicijn, dat het ervoor zorgt dat het virus zichzelf niet repliceert - het past even perfect als een sleutel in een slot. Zulke coronavirusspecifieke medicijnen zijn momenteel niet beschikbaar en het zal meerdere jaren vergen om ze te ontwikkelen.

Natuurlijk staat de geneeskunde nu veel verder dan honderd jaar geleden. Ten tijde van de Spaanse griep zou de toen nog niet ontdekte antibiotica veel mensen gered hebben van bacteriële longont- steking, de fatale  secondaire  infectie.  De wereldbevolking zal in 2020 wellicht niet gedecimeerd worden door dit coronavirus, maar we moeten alert blijven ten aanzien van andere bekende en nog opduikende virussen, die een constante bedreiging vormen voor de mondiale volksgezondheid. De wetenschappelijke wereld, epidemiologen en virologen leren veel van deze uitbraken, en elke dag meer over dit nieuwe coronavirus.

Vertel ons eens wat meer over de rol van intermediaire gastheren in zoönosen. In het geval van COVID-19 kregen vleermuizen eerst de schuld, maar opeens doken ook schubdiertjes op in het verhaal.

Pierre Dorny: Dat is een van de mogelijkheden. Het zou kunnen dat het SARS-CoV-2-virus niet direct van vleermuizen op mensen overgebracht werd, maar dat de transmissieketen een zogenaamde tussenliggende gastheer kreeg. Dit is niet ongewoon: in het geval van MERS waren het kamelen, en voor SARS civetkatten. Schubdiertjes zijn kleine zoogdieren, volledig bedekt met schubben om roofdieren af te weren. In sommige delen van de wereld, bijvoorbeeld in China of Ghana, wordt hun vlees beschouwd als delicatesse. Hun schalen worden ook gebruikt in de traditionele Chinese geneeskunde. Ze zijn vergelijkbaar met wat Europeanen verstaan onder wild vlees: denk aan everzwijn of hert dat in de herfst op het menu van veel restaurants prijkt. Op dezelfde manier worden civetkatten in sommige gemeenschappen gegeten  als  bushmeat.  Kamelen leven in nauw contact met mensen in het Midden-Oosten als vee: er zijn kamelenboerderijen, kamelenraces, enz. Intermediaire gastheren kunnen fungeren als vectoren voor virussen om hun definitieve gastheer te bereiken en virussen kunnen bepaalde mutaties ondergaan in die intermediaire gastheren. Ze passen zich voortdurend aan.

Is de definitieve sluiting van de versmarkten, plaatsen waar het coronavirus zou ontstaan zijn, een oplossing?

Een sluiting tijdens de huidige pandemie helpt natuurlijk. Maar in veel landen van de wereld is het kopen van een levend dier of het laten slachten op de markt de enige garantie op vers vlees. Schubdiertjes zijn een bedreigde soort, maar ze zijn populair, dus het is waarschijnlijk dat de handel erin ondergronds verdergaat.

In grote delen van Afrika hebben mensen gewoon geen andere keuze dan wilde dieren te blijven jagen, voor eiwitten. Bushmeat vindt ook zijn weg naar Europa, voor verkoop op de zwarte markt. Zolang mensen de leefgebieden van wil- de dieren inpalmen, neemt de kans op contact toe. Intensieve landbouw in de buurt van dieren, versnelt overdracht van ziekten via de lucht. We moeten zorg dragen voor het milieu en beseffen dat we deel zijn van een groter ecosysteem: onze toekomst hangt ervan af.

Meer nieuws over

PUBLIC HEALTH     BUITEN LAND